„Komt u maar even mee." De mevrouw met de
witte
jas loopt voor hen uit. Bob draagt Jeroentje. Ze
komen in een kamertje, met aan één kant een gordijn
en allemaal planken langs de muren. Op de planken
staan pakken verband, grote rollen pleisters en
bruine flessen. Jodium, denkt Erik. Er hangen ook
platen aan de muur. Op de platen staan gewonde
mensen getekend die verbanden opgeplakt krijgen,
alsof het een soort stripverhaal is. Op het laatste
plaatje zit alles ingepakt.
'Hoe moet dat nou met Jeroentje, zo binnen
in zijn
mond,' denkt Erik.
„Dokter komt zo bij u," zegt de mevrouw.
Erik gaat op een stoel zitten die daar
klaarstaat. Bob
zet Jeroentje bij hem op schoot. Er hangt een nare
lucht in de kamer. Het ruikt naar ziektes. Jeroentjes
lippen trillen een beetje, maar hij huilt niet. Na een
tijdje komt er een meneer binnen. Hij heeft een witte
jas aan met in rode letters iets met 'Gasthuis' erop.
'Ziekenhuis zullen ze bedoelen,' denkt Erik.
„Zo jongeman," zegt de dokteren
gaatvlakvoor
Jeroentje staan. Die kruipt zo dicht mogelijk naar
Erik toe. „Doe de mond maar eens even open."
Jeroentje blijft de dokter strak aankijken.
„Juist, ja," mompelt die. Er komen rimpels
tussen
zijn ogen.
„Misschien kunt u uw zoontje uitleggen dat
ik hem
moet onderzoeken," zegt hij een beetje ongeduldig
tegen Bob.
„Maar die is niet gewond," stamelt Bob.
De dokter bladert door de papieren die hij
in zijn
hand heeft.
„Ah," zegt hij, wanneer hij begrijpt hoe het
zit.
„Nou ja, dat doet er ook niet zoveel toe: hij moet wel
zijn mond opendoen."
Erik wil zijn mond al opendoen, maar de
dokter
kijkt niet eens naar hem en pakt een plat stukje hout
uit een beker. Zoiets als van een ijslolly, maar dan
zonder ijslolly. Hij duwt het ding tussen Jeroentjes
lippen en wrikt een beetje heen en weer. Het gezicht
van de dokter wordt rood. „Doe de mond eens open,
jochie."
Jeroentje neemt het houtje tussen zijn
tanden en
klemt ze dan stevig op elkaar. Hij blijft de dokter met
grote verdrietige ogen aankijken. De dokter trekt met
veel moeite zijn houtje weer te voorschijn, gooit het
in een prullenbak en loopt mompelend de kamer uit.
Wanneer hij de deur uit is, begint Jeroentje
heel
zachtjes te fluisteren. „Jas aan thuishuis toe mama
toe jas aan thuishuis toe mama toe jas aan thuishuis
toe..." Alsmaar door, als een molentje dat rond en
rond draait. Tot de dokter weer binnenkomt, dan is
Jeroentje in één klap stil. Er is nog een tweede
